Suikerriet

Suikerriet (Saccharum officinarum) is de bron van rietsuiker en daarvan afgeleide producten. Het is een van de economisch belangrijkste planten ter wereld, alhoewel niet meer zo belangrijk als vroeger. Suikerriet (Saccharum officinarum) behoort tot de grassenfamilie (Gramineae of Poaceae). Als bij andere cultuurgewassen gaat het hier niet om een natuurlijke soort, maar om een verzameling van (vele) kweekproducten. Deze zijn terug te voeren op de wilde soort Saccharum robustum (met al dan niet een invloed van Saccharum spontaneum). In het verleden zijn soms Saccharum barberi en Saccharum sinense als afzonderlijke soorten voorgesteld, maar deze namen gelden nu als synoniemen.

De planten worden meer dan manshoog en de stengels zijn na een jaar oogstrijp. De stengels kunnen 6 m lang en 5 cm dik in doorsnee worden. Tot de ontdekking van de bietsuiker was het sap uit suikerriet de enige bron voor suiker.

Tijdens de oogst wordt de plant vlak bij de grond afgehakt. Vers suikerriet wordt soms in kleine stukjes gekauwd, maar meestal wordt het geoogste suikerriet in een suikerfabriek verwerkt door het sap er uit te persen. Vervolgens wordt de suiker uitgekristalliseerd, waarna een dikke stroop achterblijft (melasse), die nog een deel van de suiker bevat. De melasse wordt gebruikt voor het maken van rum. De overblijvende stengelresten worden bagasse genoemd, en worden gebruikt als grondstof voor papier, brandstof, of veevoer.

Geschiedenis

Suikerriet kwam waarschijnlijk in Nieuw-Guinea en delen van Indonesië in het wild voor. De mensen kauwden daar op de stengels en dronken het zoete sap. Al in prehistorische tijden raakte het suikerriet bekend in India, waar men al lang voor het begin van onze jaartelling ontdekte dat men door het droogkoken van suikerrietsap een zoete, vaste stof kon bereiden die lang kon worden bewaard. Nearchos, een van de generaals van Alexander de Grote, leerde de suiker omstreeks 300 v.Chr. in India kennen en beschreef suikerriet als "een riet dat honing produceert zonder bijen".

De Arabieren brachten de kennis van de verbouw van suikerriet en de bereiding van suiker in de middeleeuwen over naar het Middellandse Zeegebied. De naam "suiker" in de verschillende Europese talen is, via het Arabisch, ontleend aan het Sanskriet woord "sjarkara".

In de 15e eeuw begonnen de Spanjaarden en Portugezen suiker te verbouwen op de kort tevoren gekoloniseerde Canarische Eilanden en Madeira. Van daaruit werd de suikerteelt in de 16e en 17e eeuw overgebracht naar het Caraïbische gebied en Brazilië, waar het zware werk op de suikerrietplantages en in de "engenhos" (suikermolens) verricht werd door uit Afrika geïmporteerde slaven.